Category: Uncategorized

  • Competitie en boosheid

    Goed. Laten we terugkeren naar de vraag hoe we een altruïstische samenleving tot stand kunnen brengen. Ik wil het over de betekenis van competitie hebben. De moderne samenleving wordt steeds meer bepaald door harde competitie, wat het leven erg moeilijk maakt. Een probleem is dat wij deze competitieve samenleving willen worden, maar een ander probleem is dat zij die kritiek op deze competitiedrang hebben, geneigd zijn alleen de negatieve kant ervan te benadrukken. Maar ik ben van mening dat competitie ook heel waardevol kan zijn.

    Volgens mij zijn er twee soorten competitie. In de eerste plaats is er het soort dat ons in staat stelt om elkaar sterker te maken. Bij vechtsporten als judo en kendo houden twee mensen die met elkaar wedijveren zich niet bezig met winnen of verliezen, maar strijden zij als rivalen die elkaars kracht vergroten, wat prima is. Maar in de samenleving in bredere zin hebben we een westerse [Amerikaanse] soort overgenomen die vaststelt wie wint en wie verliest. Het gevolg is dat de winnaar alles krijgt en de verliezer lijdt, en hoe moeilijk zijn leven ook wordt, hij moet het verdragen omdat hij de verliezer in de strijd is,

    Dit soort competitie die een winnaar en een verliezer, een winnend en een verliezend team voortbrengt, wordt steeds populairder.

    Dit soort competitie dat winnaars en verliezers oplevert, creëert ongeluk en boosheid.

    Ik maak onderscheid tussen het goede soort competitie dat de moeite waard is en het andere soort, dat het niet is. Bij het beste soort competitie streven we ernaar een bepaald doel te bereiken, en als we naar de goede eigenschappen kijken die anderen bezitten, willen we die zelf ook. Dat soort competitie is positief.

    Wij boeddhisten zeggen: “Zoek je toevlucht in de drie kostbaarheden: de Boeddha, de Dharma en de Sangha,” en in zekere zin voelen we een soort rivaliteit met de ‘drie kostbaarheden’. We nemen de Boeddha en de Sangha (het kloosterleven) als voorbeeld, zodat we kunnen streven naar het bereiken van een hogere staat van bewustzijn. Dit soort competitie is positief en noodzakelijk voor onze ontwikkeling.

    Dan is er het negatieve soort competitie dat overwonnen dient te worden. Dat is het soort competitie dat een streep trekt en zegt: “Ik ben de winnaar en jij bent de verliezer.”

    Bij dit soort competitie proberen we de ander te schaden en onszelf op de eerste plaats te zetten, en daarmee creëren we onze eigen vijand.

    Hoe algemener dit soort competitie wordt, hoe meer problemen dat in de samenleving geeft. Maar een positieve competitieve sfeer stelt ons in staat elkaar te verheffen, elkaar te helpen, zodat iedereen er beter van wordt.

    Overal ter wereld bestaan vele soorten competitie. Vorig jaar zag ik in de Verenigde Staten dat competitie draait om winnen en verliezen. Ook al win ik vandaag, morgen zou ik kunnen verliezen, dus de keiharde realiteit is dat mijn geest nooit rust kan krijgen.

    In China is het net zo. Als je in China eenmaal verliest, ben je er geweest [maakt lachend een gebaar van de keel doorsnijden].

    Hetzelfde gebeurt in Japan. Voorheen stelde competitie Japanners in staat elkaar te inspireren. De mensen vertrouwden elkaar en de samenleving. Maar de competitie die men nu nastreeft is de wet van de jungle, het soort dat een winnend en een verliezend team vaststelt. Dit veroorzaakt een gebrek aan respect en vertrouwen.

    Verkeerde competitie zorgt ervoor dat in de samenleving het vertrouwen verloren gaat.

  • Kennis en de praktijk

    In Tibetaanse kloosters zijn de monniken geneigd de betekenis van de soetra’s te bestuderen, maar niet hun geest te kalmeren door die in praktijk te brengen. Ze vergaren kennis, maar passen die niet toe.

    Van oudsher bestuderen monniken in de kloosters de soetra’s en wordt hun tegelijkertijd het Lamrim-systeem onderwezen, dat zich toelegt op het kalmeren van de geest en het transformeren van de persoonlijkheid. Maar de laatste tijd concentreren onze monniken zich meer op de soetra’s en minder op Lamrim. Het hangt af van de meester die onderwijst, maar als hij een groot meester is, zal hij niet alleen de soetra’s onderwijzen, maar ook goede methoden om de geest te kalmeren en aan zelfverbetering te werken.

    Als een meester slechts kennis biedt, kan zijn leerling zijn soetra’s nog zo goed kennen, maar dan zal hij misschien toch arrogant, jaloers en onwetend zijn en zal zijn geest niet tot rust zijn gebracht. Dit zijn tekenen dat iemand verstrikt is geraakt in studie zonder praktische beoefening.

    De Boeddha leerde ons duidelijk dat als je grote kennis hebt, deze waardeloos is als de geest niet rustig is. Als we onderricht van een meester krijgen, moeten we dat niet alleen op verstandelijk niveau aanvaarden, maar ook met het hart, en het gebruiken om onze geest tot rust te brengen. In Tibetaanse kloosters leren monniken niet alleen soetra’s reciteren, maar wordt hun ook de leer van Lamrim aangeboden, zodat ze de betekenis van de soetra’s opnemen in hun hart en ze gebruiken om hun geest positief te beïnvloeden.

  • Goede en verkeerde gehechtheid

    Veel Japanse monniken die ik ken die zich bezighouden met diverse vormen van maatschappelijke actie, worden geïnspireerd door boosheid of verontwaardiging, maar andere monniken zeggen vaak tegen hen dat ze nog niet verlicht zijn en slechts een laag niveau van boeddhistisch inzicht hebben. Het Japanse boeddhisme leert dat we, of boosheid nu gebaseerd is op mededogen of niet, die boosheid moeten onderdrukken. Zelfs als er sprake is van maatschappelijk onrecht, zelfs als er sprake is van maatschappelijk onrecht, zelfs als er vreselijke dingen gebeuren: boos zijn is niet boeddhistisch, het is een schending van de boeddhistische leer. Tegelijkertijd maken veel monniken zich boos om onbeduidende dingen.

    Ik denk dat we het hebben over boosheid begrijpen op het verstandelijke vlak.

    Ik heb wel eens met een rijke Zwitserse vrouw gesproken die me vragen stelde over gehechtheid. Het boeddhisme leert dat we gehechtheid moeten overwinnen, maar mensen verwarren onthechting vaak met onverschilligheid. Deze vrouw dacht dat gehechtheid overwinnen betekende dat je goede dingen niet eens als goed erkende. Ze vroeg me bijvoorbeeld of de geest die verlichting nastreeft, niet gehecht is aan verlichting, en of we daar niet vanaf moesten zien te komen. Maar de geest die verlichting nastreeft, vertoont een gehechtheid die we zouden moeten behouden, niet zouden moeten wegdoen. De gehechtheid die iets goeds nastreeft is de moeite waard.

    Deze vrouw zei ook dat als ze geen gehechtheid kende, ze niet echt onbaatzuchtige activiteiten kon ontplooien. Maar ook dat is een verkeerd denkbeeld. Het soort gehechtheid dat we moeten zien kwijt te raken, is het verlangen dat gebaseerd is op bevooroordeelde meningen. Ik zei dat bodhisattva’s veel gehechtheid hebben. Het waardevolle, verlangen van een onbevooroordeeld hart is niet het soort gehechtheid waarvan we ons moeten ontdoen.

    In het boeddhisme betekent ‘gehechtheid kwijtraken’ dat je je ontdoet van misplaatste verlangens. Waardevolle en goede verlangens blijven we nodig hebben, en zouden we ons er niet van moeten ontdoen.

    Waardevolle en goede verlangens, zoals de geest die verlichting nastreeft, zijn niet het soort verlangens die we volgens de boeddhistische leer moeten overwinnen. Om de goede geest te verwezenlijken die grotere doelen zoals verlichting nastreeft, moeten we de geest van gehechtheid overwinnen die slechts kleine doelen kent, gebaseerd op bevooroordeelde meningen.

    Dit idee is misschien moeilijk te begrijpen, aangezien we het woord ‘gehechtheid’ gebruiken om naar beide soorten verlangen te verwijzen. Maar de geest die goede dingen zoals verlichting nastreeft, is het behouden waard, terwijl de geest van gehechtheid die gebaseerd is op bevooroordeelde meningen, opgeheven moet worden.

    In theorie is het waar dat boosheid nooit goed is en dat we alle gehechtheid moeten zien kwijt te raken. Maar wanneer we in feite geconfronteerd worden met maatschappelijk onrecht, en nadenken over de vraag hoe we dat kunnen verhelpen, is niet alle boosheid slecht en zouden we niet moeten proberen alle gehechtheid te overwinnen. Boosheid is in theorie verkeerd, en we moeten van gehechtheid zien af te komen, maar in de praktijk kunnen we ze niet volledig negeren. We moeten onderscheid maken tussen theorie en praktijk.

    Als we deze twee soorten gehechtheid – goede en verkeerde gehechtheid – begrijpen, kunnen onze ogen echt openen. De meeste mensen weten niet goed raad met deze kwestie van gehechtheid.

    In het Japanse boeddhisme heeft een klein aantal zeer invloedrijke Zenboeddhisten, Shingon, en andere monniken gezegd dat ze verlicht zijn en onthecht van materiële zaken, dus zelfs als ze een aantal dure buitenlandse auto’s of Rolex-horloges hebben, iedere avond met geisha’s stoeien en ontstellende hoeveelheden geld uitgeven, is dat geen probleem omdat ze ‘onthecht’ zijn.

    Ieder gewoon mens zou dit een vreemde discrepantie vinden. De monniken gebruiken de logica van het overwinnen van gehechtheid in het boeddhisme om hun daden te rechtvaardigen. Het gedrag van deze kleine groep monniken heeft vele Japanners van het boeddhisme vervreemd en hen doen denken dat het tijdverspilling is.

    Gehechtheid overwinnen betekent niet dat je onverschillig wordt. Verkeerde gehechtheid moet opgegeven worden, maar goede gehechtheid moet behouden blijven in ons streven onszelf te verbeteren.

    Volgens de Tibetaanse esoterische leer van Dzogchen is het zo dat als we ons bezighouden met godsdienstbeoefening, we de juiste kennis moeten hebben van hoe we wel en hoe we niet moeten handelen. De monniken die zeggen dat ze geen gehechtheid meer hebben, genieten in werkelijkheid van veel wereldse zaken. Ze zouden dit innerlijke begrip moeten hebben, maar hun gedrag is misplaatst en laat juist het tegenovergestelde zien. We moeten in de praktijk uiting geven aan wat we innerlijk begrepen hebben. Ze zeggen dat ze het begrijpen, maar hun daden tonen aan dat hun inzicht niet deugt.

    De naleving van de voorschriften, die een belangrijke rol in het boeddhisme speelt, biedt veel praktische raad. Zen en andere ‘hogere’ vormen van beoefening nemen het verstandelijke begrijpen veel serieuzer dan het daadwerkelijke handelen in het dagelijks leven, dat ze onbetekenend vinden, omdat dit handelen bij een lager bestaansniveau hoort.

    Ik geloof dat Vinaya in de Japanse boeddhistische kloosters niet veel beoefend wordt. Hetzelfde geldt voor de Tibetaanse samenleving. Veel oudere monniken die in de Verenigde Staten wonen, zeggen dat ze een diepe staat van verlichting hebben bereikt en dat het niet uitmaakt wat ze doen, aangezien ze zich met zo’n hoog niveau van godsdienstbeoefening bezighouden. Ze gedragen zich dus als ieder ander wereldlijk persoon. Natuurlijk is het bij de boeddhistische beoefening zo dat wat iemand innerlijk ook mag hebben begrepen, hij de voorschriften moet naleven, en dat soort gedrag is het bewijs dat men de voorschriften niet naleeft.

    Omdat spiritualiteit over het algemeen zo belangrijk wordt geacht, leggen we te veel nadruk op verlichting en zijn we geneigd geen acht te slaan op het gedrag in het dagelijks leven, omdat het iets is wat tot een lager niveau behoort. Het hierboven beschreven gedrag van de monniken zegt meer over het soort mens dat zij zijn dan over het Japanse boeddhisme.

    Het feit dat ze bestaan en in hun gemeenschap soms vrij veel gezag uitoefenen, laat echter zien welke problemen zich zoal in het Japanse boeddhisme voordoen. Maar natuurlijk zijn er in Japan ook veel monniken die oprecht respect verdienen.

  • Boos zijn uit mededogen

    Het is helemaal fout als een religieus persoon onverschillig blijft wanneer hij geconfronteerd wordt met economisch onrecht of onrecht van andere aard. Godsdienstige mensen moeten hun best doen om die problemen op te lossen.

    Het gaat erom hoe je weet hoe je met boosheid om moet gaan. Er zijn twee soorten boosheid. Eén daarvan komt voort uit mededogen – deze soort boosheid is nuttig. Boosheid die wordt gemotiveerd door mededogen of het verlangen maatschappelijk onrecht te verhelpen en die de ander niet wil schaden, is een goede boosheid die de moeite waard is.

    Stel dat een goede ouder uit bezorgdheid om het gedrag van een kind boze woorden gebruikt of het zelfs straft. Hij kan boos zijn op het kind, maar hij koestert geen enkel verlangen om het te schaden.

    In Japanse Tempels staan vaak woest ogende beelden van de boeddhistische god Acala. Maar Acale heeft die woeste uitdrukking niet uit haat of het verlangen om voelende wezens te schaden, maar uit bezorgdheid om hen, om hen fouten te corrigeren, als een ouder die de fouten van een kind wil corrigeren.

    Boosheid geeft meer energie, meer vastberadenheid, meer daadkracht om onrecht de wereld uit te helpen.

    De onderliggende motivatie is mededogen, maar er is boosheid voor nodig om dat mededogen vorm te geven.

    Zouden we, als we woede als motiverende kracht willen gebruiken, die moeten omzetten in een andere toestand, in iets positiefs? Of zouden we die moeten laten zoals hij is?

    Het antwoord op die vraag is: dat is afhankelijk van de geestestoestand van de persoon, van de motivatie die de handeling veroorzaakt. Wanneer we handelen, komt die handeling voort uit een oorzaak die al in ons bestaat.

    Als we jegens een ander vanuit haat handelen, zal de haat die geuit wordt als woede, tot destructief handelen leiden. Dat is negatief handelen. Maar als we handelen uit consideratie met de ander, als we gemotiveerd worden door genegenheid en medeleven, dan kunnen we uit woede handelen, omdat we bezorgd zijn over het welzijn van de ander.

    Op deze manier handelt de ouder uit bezorgdheid voor het kind. Als een kind bijvoorbeeld met vergif speelt, bestaat het gevaar dat het dit in zijn mond stopt. Dat is een noodgeval en de ouder kan dan schreeuwen of het kind op de handen slaan, maar alleen uit oprechte bezorgdheid, om te voorkomen dat het iets gevaarlijks doet. Zodra het kind het vergif loslaat, houdt de boosheid van de ouder op. Dat komt doordat de boosheid gericht was op de daad van het kind die het kon schaden, niet op het kind zelf. In zo’n geval is het juist om de nodige maatregelen te nemen om een eind aan de daad te maken, of dat nu is door boos te zijn, te schreeuwen of te slaan.

    Als de boosheid daarentegen meer gericht is op de persoon dan op de daad, als er een vijandige gezindheid jegens de ander bestaat, zal dat gevoel lange tijd blijven bestaan. Als iemand probeert je te schaden, of als je het gevoel hebt dat je geschaad bent, dan koester je negatieve gevoelens jegens die persoon, en zelfs als hij niet meer zo handelt, voel je je nog steeds niet bij hem op je gemak. In het geval van de ouder en het kind verdwijnt de boosheid van de ouder zodra het kind met zijn verkeerde handeling stopt. Deze twee soorten boosheid zijn heel verschillend.

    Maar hoe zit het nu met boosheid vanwege maatschappelijk onrecht? Houdt die lange tijd aan, totdat het maatschappelijk onrecht uit de wereld geholpen is?

    Boosheid om maatschappelijk onrecht zal blijven bestaan totdat het doel is bereikt. Dat moet wel. In zo’n geval zou men werkelijk een gevoel van boosheid moeten blijven koesteren. Die boosheid is gericht op het maatschappelijk onrecht zelf, samen met de strijd om het te verhelpen, dus de woede moet gehandhaafd blijven totdat het doel wordt bereikt. Die is nodig om een eind te maken aan maatschappelijk onrecht en fout, destructief handelen.

    Zo zal er een negatieve of veroordelende houding blijven bestaan met betrekking tot Chinese wandaden, zoals schending van de mensenrechten en marteling, zolang deze voortduren. Je bent boos zolang onrecht blijft bestaan.

  • Liefde en gehechtheid

    Wetenschappers beginnen al aan te tonen dat innerlijke waarden (houdt zijn hand op zijn hart) het meest bijdragen aan een gelukkig bestaan. Die waarden hebben we nu nodig, niet alleen in spiritueel opzicht, maar ook voor ons lichamelijk welzijn.

    Onze hele samenleving wordt verblind door materiële zaken en heeft uit het oog verloren wat werkelijk van waarde is. We beoordelen alles naar materiële maatstaven en we herkennen geen andere waarden meer.

    Ook in families worden mensen die geld verdienen goed behandeld en mensen die dat niet doen, beschouwd als waardeloos. Mensen behandelen hun kinderen beter als die in de toekomst waarschijnlijk veel geld zullen verdienen en ze verwaarlozen de kinderen voor wie dat niet geldt.

    Sommigen kunnen zelfs vinden dat aangezien gehandicapte kinderen niet nuttig zijn, het beter zou zijn hen te doden. Hetzelfde geldt voor oude mensen: omdat die geen geld meer verdienen, worden ze niet goed behandeld en krijgen ze slechts kliekjes te eten.

    We gaan op dezelfde manier om met dieren. Hennen die eieren leggen, worden goed behandeld, maar haantjes worden gedood. Hennen die geen eieren leggen, worden ook gedood. Met mensen gaat het net zo. Alleen nuttige mensen worden gewaardeerd en zij die niet nuttig zijn, worden aan hun lot overgelaten.

    Onze samenleving is op jongeren gericht, maar we kunnen ook zeggen dat zij op nut gericht is. De hedendaagse beschaving erkent mensen die nuttig zijn, maar niet mensen die nutteloos zijn.

    In een samenleving die alleen nuttige mensen goed behandelt, moeten we nu bidden dat we korter zullen leven. [Vouwt de handen samen]. Wanneer we oud worden, zullen we nutteloos zijn [Begint te lachen].

    Dit is een probleem op wereldschaal. Ik denk dat de meeste samenlevingen geloven dat geld de enige weg is.

    Diepere menselijke waarden en meelevende vrienden zijn de belangrijkste zaken in het leven, maar de mensen zien dat niet in.

    Zo zal in een arm gezin waarin genegenheid heerst, iedereen gelukkig zijn. Maar als in het gezin van een miljardair de gezinsleden jaloers op elkaar zijn, elkaar wantrouwen en niet liefdevol behandelen, dan kunnen ze nog zo rijk zijn of nog zulk mooi meubilair hebben, maar gelukkig zullen ze niet zijn.

    Dit voorbeeld toont duidelijk het verschil aan tussen oppervlakkige en diepere, hogere waarden.

    De genegenheid en vriendelijkheid die wij mensen van nature bezitten, zijn de diepere waarden, ze vormen de basis van alle menselijke waarden.

    Met deze waarden als basis kunnen oppervlakkige waarden die te maken hebben met geld en materiële bezittingen bijdragen aan het geluk van de mens. Maar zonder die basis blijven die oppervlakkige waarden zonder betekenis.

    Hoe moeten we nu onderscheid maken tussen liefde en gehechtheid? Sommige ouders denken dat als ze een ‘goed’ kind hebben, dat bewijst dat ze liefdevolle ouders zijn. Ze menen dat als hun kind naar een goede school gaat, dat komt doordat ze van het kind houden.

    Naar een goede school gaan is natuurlijk niet verkeerd, maar als de ouders willen dat het kind naar een goede school gaat vanuit voorwaardelijke liefde, dan is dat toch zeker dwang onder het mom van liefde?

    Kinderen zijn niet het bezit van hun ouders, maar als ouders ze als bezit behandelen, is dat gehechtheid, geen liefde. Ze lijken voorwaardelijke liefde te gebruiken om grip op hun kinderen te houden.

    Ze zijn niet alleen gehecht aan hun kinderen, maar ook aan het beeld van zichzelf als de ouders van goede kinderen. Zo’n relatie is geen echte liefde.

    Dit is het verschil tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke liefde.

    Ik denk dat ware liefde absoluut in even grote mate wordt gegeven aan een pienter kind als aan een gehandicapt kind. Ik denk dat een gehandicapt kind vanzelfsprekend meer liefde, meer zorg zal ontvangen. Maar als de liefde niet oprecht is, als die voorwaardelijk is, zal een gehandicapt kind als nutteloos worden beschouwd en geen liefde ontvangen.

    Ik denk dat sommige dieren zich tot op zekere hooge ook gedragen als ouders die voorwaardelijke liefde geven. Sommige vogelsoorten geven meer voedsel aan de grotere jongen in hun nest. Ik heb gemerkt dat uilen en adelaars niet evenveel aan hun kleine jongen geven als aan hun grote jongen. Aangezien ze meer aan de grotere jongen geven, denk ik dat de kleinere jongen uiteindelijk zullen sterven. Misschien maken ze in de dierenwereld net zo’n onderscheid tussen hun jongen als de mensen tussen hun kinderen. Ik weet het niet.

    Hoe gaat dat met de jongen bij honden en katten? Hoe behandelen de moeders de sterke en de zwakke nakomelingen?

    Ik weet het niet, maar deze vraag boeit me zeer. Als ze meer voedsel aan aan de grote en sterke jongen geven en niet veel aan hun zwakkere jongen, dan maken ze onderscheid tussen de waarde van hun verschillende nakomelingen. Dieren gedragen zich zo vanwege biologische factoren.

    Vrouwelijke dieren geven vaak de voorkeur aan mannetjes die groter zijn, zodat ze gezondere, sterkere jongen krijgen. Ze geven de voorkeur aan grotere mannetjes door het biologische instinct om de soort te laten voortbestaan en betere nakomelingen voort te brengen.

    Mannelijke herten vechten vaak om de vrouwtjes en degene die wint ziet er majestueus uit, terwijl de verliezer zich terugtrekt en er bij zijn vertrek heel teleurgesteld uitziet. (Lacht). Al die dingen hebben een biologische basis.

    Zo gaat het ook bij mensen. Als een moeder verschillende kinderen heeft en het sterkere kind beter behandelt, dan heeft dat een biologische oorsprong. En als ze het zwakkere kind als nutteloos beschouwt en het niet veel zorg geeft – afgezien van wat we zojuist over geld en de waarde van een kind hebben gezegd-, vraag ik me af of dat gedrag ook voortkomt uit een biologisch aspect.

    Als cultuur een bepaald vast gedragspatroon is, dan kunnen we zeggen dat cultuur in de dierenwereld bestaat, maar beschaving is een iets lastiger begrip.

    In de dierenwereld wordt alles bepaald door fysieke factoren. In de mensenwereld stonden we in vroeger tijden dichter bij het niveau van de dieren, in die zin dat fysieke kracht boven alles ging. Het fysieke was het enige wat telde.

    Maar naarmate de beschaving oprukte, werd intelligentie dominanter. Door de intelligentie van de mens is het leven erop vooruitgegaan en verfijnder geworden, en die maatschappelijke ontwikkeling is wat wij beschaving noemen.

    Met andere woorden: het begrip beschaving is sterk verbonden met menselijke waarden, of in ieder geval met onze intelligentie. De overwinning van de sterke op de zwakke in fysiek opzicht is dus minder belangrijk geworden.

    Intelligentie is een uniek kenmerk dat mensen bezitten en bij beschaving is het verstandelijke niveau superieur aan het fysieke niveau. Zoals de intelligentie van de mens een belangrijke rol speelt, zo doen de ware genegenheid en vriendelijkheid die de mens bezit dat ook.

    De belangrijkste elementaire waarden die de mens bezit, genegenheid en vriendelijkheid, bestaan op een ander niveau dan het verstand.

    In een beschaving die gefundeerd is op het verstandelijke niveau, speelt het verstand een grotere rol en zijn we geneigd mensen te beoordelen en te selecteren op basis van hun nut.

    Maar als we alleen verstandelijke oordelen vellen, onze oorspronkelijke eigenschappen genegenheid en vriendelijkheid verwaarlozen en in plaats daarvan alleen dingen kiezen en waarderen die nuttig zijn, bestaat het gevaar dat die oordelen de nalatenschap van onze beschaving zullen zijn.

    Ik zou graag willen spreken over wat ik bedoel wanneer ik het over beschaving heb.

    Vanuit een dierlijke samenleving waarin fysieke kracht dominant was, ontstond door de menselijke intelligentie iets wat wij beschaving noemen, die de dierlijke wet van de jungle oversteeg.

    Maar omdat het verstand geneigd is de dingen op basis van hun nut te waarderen, ontstond er een ander soort discriminatie, en door alleen op ons verstandelijke oordeel te vertrouwen, lopen we het risico dat we de genegenheid en vriendelijkheid onderdrukken: de meest elementaire eigenschappen van ons als menselijke dieren.

    Als we echter terugkijken naar de geschiedenis van de mens, is het niet altijd zo geweest dat degenen met de grootste fysieke kracht de meeste macht hadden. De menselijke samenleving begon als een samenleving van jager-verzamelaars – een volkomen egalitaire samenleving. Als een jager wild meebracht, werd dat gelijkelijk verdeeld onder alle leden van de gemeenschap. Dit is in feite de beste methode om ervoor te zorgen dat de hele gemeenschap kan voortbestaan.

    In die tijd kon vlees natuurlijk niet geconserveerd worden. Als ik bijvoorbeeld een groot hert had geschoten en het vervolgens alleen voor mijn familie hield om op te eten, zou er zeker een deel overblijven en bederven.

    Dus de meest logische manier waarop zo’n gemeenschap kan voortbestaan is dat op dagen waarop ik wild schiet, ik het gelijkelijk onder iedereen verdeel, en op dagen waarop anderen wild schieten, zij hetzelfde doen.

    Omdat samenlevingen van jager-verzamelaars deze methode van gelijke verdeling hadden, was er bijna geen verschil tussen de mensen die macht hadden en degenen die dat niet hadden.

    Maar de introductie landbouw veranderde de menselijke samenleving radicaal. Agrarische samenlevingen bleven op één plek, zodat mensen geoogst graan konden opslaan en ook eigen meubels, huishoudelijke voorwerpen en andere bezittingen konden hebben.

    In agrarische samenlevingen werd de kloof tussen arm en rijk aanzienlijk groter en ontstond er een scherp onderscheid tussen mensen die macht hadden en mensen die dat niet hadden.

    Naarmate de vergaring van rijkdom mogelijk werd en er bijzonder machtige instellingen werden gecreëerd, kregen de zogeheten vier grote beschavingen in de oudheid vorm.

    De invoering van de landbouw deed het idee van persoonlijk bezit ontstaan, zodat men voor het voortbestaan de middelen niet meer gelijkelijk onder alle leden van de gemeenschap verdeelde, maar het veiliger achtte middelen voor zichzelf te vergaren.

  • Protected: Necronomicon: Howlings in the Desert

    This content is password-protected. To view it, please enter the password below.

  • Hello world!

    Welcome to WordPress. This is your first post. Edit or delete it, then start writing!