De boeddhistische geest van maatschappelijk dienstbetoon

De boeddhistische leer neemt het lijden van de mens als uitgangspunt en in deze tijd moeten we eveneens beginnen bij de vraag met welk lijden we nu geconfronteerd worden.

Wanneer monniken alleen maar preken afleveren die van tevoren zijn opgesteld zonder aandacht te besteden aan het werkelijke leed van de mensen, kunnen ze wel over het boeddhisme spreken, maar is hun interpretatie niet boeddhistisch. Hun benadering staat ver af van het oorspronkelijke verlangen van Sakyamuni om de mensen van leed te bevrijden.

In de jaren zestig van de vorige eeuw was ik in de gelegenheid een paar maal naar Thailand te gaan. Bij één van die gelegenheden sprak ik met het hoofd van het Thaise monastieke boeddhisme en ik zei tegen hem: “Onze christenbroeders en -zusters zetten zich heel oprecht in voor het verbeteren van de samenleving op het vlak van onderwijs, geneeskunde en welzijn. Wij boeddhisten hebben nooit aan die activiteiten gedaan, maar ik denk dat we iets van die praktijken van onze christenbroeders en -zusters zouden moeten leren.”

Maar de Sangharaja zei tegen mij: “Nee, wij boeddhistische monniken moeten ons blijven afzonderen van de maatschappij.”

Het is waar. De Vinaya-soetra zegt dat monniken zich moeten afzonderen van de maatschappij. Maar dat wil nog niet zeggen dat we alle nuttige en heilzame betrokkenheid bij de maatschappij zouden moeten vermijden.

De Vinaya zegt dat een monnik op een vredige plek moet leven, afgezonderd van wereldse mensen, zich aan de kloostervoorschriften moet houden en een zuivere levenswandel moet hebben, maar dat wil nog niet zeggen dat hij niet dienstbaar aan de samenleving kan zijn op het gebied van maatschappelijk werk, welzijnswerk of onderwijs. De Boeddha zelf is een goed voorbeeld. Op een dag merkte hij een heel zieke monnik op wiens lichaam vuil was omdat niemand voor hem had gezorgd. Daarom bracht de Boeddha zelf hem water, goot het over hem heen en vroeg zijn leerling Ananda het lichaam van de zieke man te wassen.

De Boeddha preekte niet alleen, maar trad ook handelend op. Dat is waarlijk maatschappelijk dienstbetoon. Net als Jezus Christus moeten wij, volgelingen van Boeddha, dezelfde geest uitstralen en de zieken en de armen helpen en ons inzetten voor boeddhisme in het moderne onderwijs.

In de Thaise kloostertraditie kunnen monniken volgens de Vinaya-soetra leven, ver van het wereldse leven, maar moeten ze ook de daden van naastenliefde van de Boeddha trachten te evenaren. Beide aspecten van het godsdienstige leven dienen juist begrepen en gecombineerd te worden. Dat het voorschrift luidt dat boeddhistische monniken en nonnen zich moeten afzonderen van de wereldse samenleving wil nog niet zeggen dat het hun verboden is maatschappelijk werk te doen.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw begonnen sommige Thaise monniken maatschappelijke activiteiten te ontplooien. Ze staan bekend als ‘ontwikkelingsmonniken’ en ze zijn betrokken bij activiteiten als het bouwen van hospices voor aidspatiënten en het ontwikkelen van onderlinge hulpprogramma’s om de armen bij te staan.

Ik heb ook gehoord van monniken die betrokken zijn bij milieukwesties. Maar over het geheel genomen weet ik er niet veel van. Hoe het ook zij, onze christenbroeders en -zusters zijn veel actiever op het gebied van maatschappelijke hulpverlening.

De boeddhistische training is gebaseerd op de beoefening van karuna, of mededogen. En mededogen moet ingezet worden in de vorm van maatschappelijk dienstbetoon. Dat is heel cruciaal.

Volgens het boeddhisme is het niet zo dat God alles bepaalt, maar dat wijzelf de wereld scheppen. Het boeddhisme is een leer die begint bij het versterken van de individuele subjectiviteit.

Boos zijn is iets heel subjectiefs. Op een positieve manier boos zijn houdt in dat we onze ogen openen voor het leed in de wereld, voor maatschappelijk onrecht. Je toevlucht nemen tot de Boeddha wil niet zeggen dat je alles aan de Boeddha overlaat, maar eerder dat je een positieve geest van rivaliteit met de Boeddha aanneemt, dat je je vastbesloten verklaart om zelf een boeddha te worden.

Als ik dat doe, haalt dat de sluimerende kracht in mij naar boven, zodat ik de trots, het mededogen en de vriendelijkheid heb om mezelf te verbeteren en in de wereld te handelen.

Soms zal ik uit mededogen boos zijn, en ik zal gehechtheid opgeven die opgegeven moet worden, maar de gehechtheid van de bodhisattva aan het verlichten van het leed in de wereld zal ik blijven behouden.

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *