In het Tibetaans is het woord voor lichaam lü, dat letterlijk betekent ‘iets dat je achterlaat’, zoiets als bagage. Elke keer als we “lü” zeggen, worden we eraan herinnerd dat we slechts reizigers zijn, die tijdelijk toevlucht nemen tot dit leven en tot dit lichaam. In Tibet verdeden de mensen niet al hun tijd met het verbeteren van hun uiterlijke omstandigheden. Ze waren tevreden als ze genoeg te eten hadden, kleren aan hun lijf en een dak boven hun hoofd.
Constant als bezetenen trachten onze situatie te verbeteren, kan een doel op zich worden, een zinloze afleiding. Zou iemand met gezond verstand het in zijn hoofd halen om elke keer dat hij een hotelkamer betrekt, deze opnieuw in te richten?